Duiding van de Digital Services Act – deel I

Door mr. Christiaan Alberdingk Thijm

Disclaimer: Christiaan Alberdingk Thijm  is een Nederlands advocaat, gespecialiseerd in auteurs- en informatierecht. Daarnaast is hij romanschrijver; in 2011 debuteerde hij met Het proces van de eeuw en in 2021 verscheen De familie Wachtman. Tevens is hij als docent Intellectuele Eigendom en Informatierecht verbonden aan het Instituut voor Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is bekend geworden als Internet-advocaat wegens de roemrucht zaak KaZaade standpunten in dit artikel zijn geschreven op persoonlijke titel en zijn niet noodzakelijkerwijs de standpunten van Internet Society Nederland of Bureau Brandeis. Foto credits: Advocatie.nl

In ronkende persberichten is de komst van de Digital Services Act aangekondigd. Volgens de berichten gaat de DSA een einde maken aan al het kwaad dat het internet de afgelopen twee decennia heeft veroorzaakt. De lezer van de definitieve tekst moet helaas vaststellen dat de gespannen verwachtingen van de DSA niet helemaal worden waargemaakt. Toegegeven, de overwegingen barsten bijna uit hun voegen van ambitie, maar de daadwerkelijke inhoud stelt wat teleur. Veel van de lastige vragen die de richtlijn Elektronische handel oproept blijven onbeantwoord.

Het is vooral big tech die het moet ontgelden in de DSA. Zeer grote online platformen en zoekmachines krijgen te maken met een groot aantal nieuwe verplichtingen. Zo bezien is het de zoveelste poging van Brussel om de kinderen van de staat Californië te beteugelen.

Gevoelig zal zijn dat big tech informatie over de werking van algoritmes moet prijsgeven. Bovendien wordt het verdienmodel van big tech — reclame — aangepakt. Daarnaast wordt een heel bestuursrechtelijk apparaat opgetuigd: iedere lidstaat krijgt een nieuwe toezichthouder, de coordinator voor digitale diensten. De Commissie krijgt de bevoegdheid procedures te starten tegen zeer grote online platforms en zoekmachines. Ook komt er een Europese Raad voor digitale diensten, een adviesorgaan. Hoe succesvol deze regulering zal zijn, zal voornamelijk afhankelijk zijn van de budgetten die de lidstaten beschikbaar stellen.

Het grote verschil met het jaar 2000 is het perspectief van de DSA. Waar de richtlijn Elektronische handel vooral het belang benadrukte van het onbekommerd kunnen functioneren van de basisdiensten van het internet, zijn het nu de gevaren die het meeste aandacht vragen. De eerste overweging rept al van nieuwe risico’s en uitdagingen die het gevolg zijn van de digitale transformatie. Uiteenlopende voorbeelden worden genoemd: online stalking, de verkoop van dieren, het onbevoegd verhuren van woonruimte, kinderporno, piraterij en het delen van privé-beelden.

De DSA onderscheidt in de overwegingen vier “systeemrisico’s”: de verspreiding van illegale content, de impact van de dienst op de uitoefening van grondrechten, negatieve effecten op het democratische proces en negatieve effecten op de volksgezondheid en minderjarigen. Het zijn vooral de aanbieders van zeer grote online platforms en zoekmachines die deze risico’s hebben veroorzaakt. Zij moeten deze gevaren dan ook zoveel mogelijk afwenden.

Of dat ook gaat gebeuren, valt te bezien. Nieuwe toezichthouders zijn niet altijd in staat de belofte van nieuwe wetgeving te effectueren, zo blijkt 4 jaar na de inwerkingtreding van de AVG. Tijdens de totstandkoming heeft de nadruk teveel gelegen op een aantal specifieke thema’s. Het grote geheel heeft men daarmee uit het oog verloren, zo lijkt het. Dat is wat teleurstellend, na drie jaar onderhandelen en ruim 20 jaar na de introductie van de richtlijn Elektronische handel.


Leave a Reply